Een prospectus is geen leesvoer. Hieronder de definities die u nodig heeft om door een informatiememorandum of een fondsdetailpagina te bewegen — zonder didactische omhaal. Mist u iets? Laat het weten.
Vrijstelling van prospectus- en vergunningplicht voor aanbiedingen vanaf €100.000 per belegger. De aanbieding zelf valt niet onder AFM-toezicht; de beheerder kan dat wel zijn (AIFMD).
Lees het artikel →Autoriteit Financiële Markten. Houdt toezicht op gedragsregels en informatievoorziening in de Nederlandse financiële sector. Zie de Wft voor de wettelijke grondslag.
Lichter registratieregime voor beheerders onder de AUM-drempels. Minder zware rapportage- en bewaardereisen dan een volledige vergunning.
Volledige vergunning onder de Alternative Investment Fund Managers Directive. Verplicht voor beheerders met meer dan €100M AUM (of €500M zonder leverage). Strengste regime.
Essentiële-informatiedocument (PRIIPS-KID). Verplicht standaarddocument met risico-indicator, scenario-rendementen en kosten. Voor vrijgestelde fondsen niet altijd vereist.
Markets in Financial Instruments Directive. Europees kader voor beleggingsdiensten. Relevant wanneer een aanbieder beleggingsadvies geeft of orders uitvoert.
Door de AFM goedgekeurd document waarin het fonds, de risico's en de kosten staan. Vrijgestelde aanbiedingen onder de €100k-drempel kennen geen goedgekeurd prospectus; daarvoor in de plaats komt vaak een informatiememorandum.
Sustainable Finance Disclosure Regulation. Classificatie in artikel 6 (geen ESG-focus), 8 (promoot duurzaamheidskenmerken) of 9 (duurzame belegging als doel).
Wet op het financieel toezicht. Het Nederlandse wettelijke kader voor financieel toezicht, waaronder regels voor prospectussen en de €100k-vrijstelling.
Onafhankelijke partij die de activa van het fonds bewaart en transacties op kasstroomniveau controleert. Onder AIFMD-vergunning verplicht; onder light-regime niet altijd.
Besloten vennootschap. Rechtspersoon. Voor de belegger niet-transparant: winst wordt eerst belast bij de BV (vpb) voordat een dividend uitgekeerd kan worden.
Fonds met vaste looptijd en gesloten kapitaalstructuur. Uittreden tussentijds doorgaans alleen via een secundaire markt.
Commanditaire vennootschap. Personenvennootschap met een beherend en stille vennoten. Geen rechtspersoon; voor de belegger fiscaal transparant.
Fonds voor gemene rekening. Contractuele constructie zonder rechtspersoonlijkheid. Kan open of besloten zijn; fiscale behandeling hangt daarvan af.
Fonds neemt doorlopend nieuw kapitaal aan en kent geen vaste einddatum. Uittreden meestal mogelijk op vaste momenten, vaak met opzegtermijn.
Activa van het fonds staan juridisch los van het vermogen van de beheerder. Bij faillissement van de beheerder blijven de fondsactiva intact.
100 basispunten = 1 procentpunt. Gebruikt voor kleine renteverschillen. Een fee-drag van 200 bps per jaar verlaagt het jaarlijks rendement met 2 procentpunt.
Compound Annual Growth Rate: constant jaarlijks rendement dat een begin- naar eindwaarde verklaart. Gaat ervan uit dat inleg vanaf dag 1 vaststaat en aan het eind volledig vrijkomt. Conservatieve maatstaf voor PE — onderschat de prestatie op werkelijk-uitstaand kapitaal.
IRR vs XIRR vs CAGR →Aandeel van de beheerder in de winst boven de hurdle. Klassiek 20% — vandaar "2 & 20" (2% management fee, 20% carried).
Mechanisme waarmee de beheerder, na het halen van de hurdle, alle vervolgrendementen krijgt totdat de afgesproken winstverdeling weer in evenwicht is.
Het totale bedrag dat een belegger toezegt te storten in het fonds. Wordt niet in één keer betaald — de beheerder roept het in tranches op (capital calls) naarmate er deelnemingen worden gekocht. Het commitment is de basis voor de fee-berekening en de winstverdeling.
Vaste, periodieke rente-uitkering. Typisch voor private debt en obligatieachtige fondsen.
Distributions to Paid-In: cumulatief uitgekeerd door het fonds gedeeld door cumulatief gestort. DPI = 1,0× betekent: u heeft uw inleg terug. > 1,5× wordt industrie-breed als sterk gezien. Cash op de bank, niet papier-waarde.
Lees uitleg →Het deel van uw commitment dat u bij ondertekening direct stort. De rest wordt later opgevraagd naarmate de beheerder deals sluit. Bij fondsen die onder de €100k-vrijstelling worden aangeboden is de eerste tranche doorgaans precies die € 100.000, ook als u meer toezegt.
Het verschil tussen het bruto-rendement (vóór fees) en het netto-rendement (na fees), uitgedrukt in basispunten per jaar. Een fee-drag van 200 bps betekent dat fees 2 procentpunt rendement per jaar afslaan.
Toggle die distributies (uitgekeerd kapitaal vanaf de harvest-jaren) terugplaatst in een Wereld-ETF tegen een aangenomen jaarlijks rendement. Maakt scenario’s waarin u het geld terugbrengt naar privé én scenario’s waarin u in de BV blijft eerlijker vergelijkbaar — anders telt vroeger uitgekeerd geld ten onrechte als "klaar".
Minimumrendement dat de belegger moet halen voordat de beheerder performance fee mag rekenen. Vaak 7–8% bij private equity.
Internal rate of return. Het jaarlijkse rendement waarmee de contante waarde van alle kasstromen (inleg en uitkeringen) nul wordt. Standaard in private equity.
Karakteristiek verloop van het netto rendement in een PE/VC-fonds: de eerste drie tot vier jaar negatief (kosten lopen, deelnemingen worden conservatief gewaardeerd, exits zijn nog ver weg), daarna gestaag positief naarmate de fondsmanager portefeuillebedrijven verkoopt.
Het extra rendement dat u krijgt voor het feit dat uw kapitaal jaren vastzit — niet te koop op een beurs. Ruwe maatstaf: fonds-CAGR minus benchmark-CAGR (publieke aandelen-ETF) bij dezelfde horizon. Positief = de illiquiditeit wordt gecompenseerd; negatief = u had beter publiek kunnen beleggen.
Geplande duur van het fonds, van eerste storting tot finale verkoop. Bij closed-end vast; bij open-end onbepaald. Tussentijds uittreden is doorgaans niet mogelijk of alleen via een secundaire markt.
Totale jaarlijkse kosten als percentage van het fondsvermogen — management fee, bewaarderkosten, audit en administratie samen.
Jaarlijkse beheervergoeding, meestal als percentage van de toezegging of NAV. In PE typisch 1,5–2%; in vastgoed vaak lager.
Totale uitkering gedeeld door totale inleg. Een multiple van 1,8x betekent dat de belegger 1,8 keer de inleg terugkrijgt. Voor één enkele deal heet dit MOIC; voor het hele fonds TVPI.
Lees DPI/TVPI/MOIC uitgelegd →IRR op fund-level cashflows ná aftrek van management fee, carried interest en kosten. Dit is wat de LP daadwerkelijk overhoudt; de meest gebruikte maatstaf in fondsdocumenten. Tegenhanger: Gross IRR (op deal-niveau, vóór fund-fees).
IRR vs XIRR vs CAGR →Bruto = vóór management fee, performance fee en kosten. Netto = wat de belegger uiteindelijk ontvangt. Vergelijk altijd op netto-basis.
Eenmalige kosten bij toetreden — vaak een percentage van de inleg, voor structurering, juridische opzet en plaatsing van de eenheden.
Cumulatief kapitaal dat de belegger werkelijk in het fonds heeft gestort, op basis van capital calls. Bij een commitment van € 250k en drie tranches gestort, is paid-in € 100k + € 50k + € 50k + € 50k = € 250k aan het einde van de drawdown-periode.
Vergoeding voor de beheerder boven een afgesproken drempel (hurdle). Bij private equity meestal als carried interest gestructureerd.
Public Market Equivalent (Kaplan-Schoar, 2005): simuleert dezelfde capital calls en distributies in een publieke index. PME 1,2× betekent dat het fonds 20% méér terugbetaalt dan dezelfde cashflows in de ETF zouden hebben opgeleverd. Industrie-standaard voor de "private vs public" vergelijking op identieke timing.
Toont eindwaarde en CAGR in koopkracht van vandaag, gecorrigeerd voor verwachte inflatie. Bij een deflater van 2% per jaar over 10 jaar is € 1 vandaag gelijk aan ongeveer € 1,22 over 10 jaar — of omgekeerd: een toekomstige € 500k staat gelijk aan € 410k vandaag.
Residual Value to Paid-In: het deel van uw belang dat nog in het fonds zit (NAV) gedeeld door cumulatief gestort. Daalt naar nul aan het einde van de looptijd terwijl DPI omhoog gaat.
Total Value to Paid-In: (cumulatief uitgekeerd + huidige NAV van uw belang) / cumulatief gestort. TVPI = DPI + RVPI. Aan einde van een fonds is RVPI 0 en TVPI = DPI.
Lees uitleg →Periodieke of einde-looptijd betaling van rendement aan beleggers. Frequentie verschilt per fonds: van maandelijks (private debt) tot uitsluitend aan het eind (klassieke PE). Vaak bedoeld als netto cashflow op uw rekening, soms herbelegbaar.
Het jaar waarin een fonds zijn eerste capital call doet. Vintages bepalen de markt-context van een fonds en zijn de standaard-as voor peer-vergelijking: een 2020-vintage PE-buyout-fonds vergelijk je niet met een 2008-vintage van dezelfde manager.
IRR op exact-date cashflows. Bij PE-fondsen de standaard voor net rendement uit LP-perspectief — meet het geld-gewogen rendement op werkelijk uitstaand kapitaal. Doorgaans hoger dan CAGR-op-commitment omdat capital calls het kapitaal pas later doen werken.
IRR vs XIRR vs CAGR →Bij faillissement van de uitgever krijgt een achtergestelde lening pas terugbetaald nadat andere schuldeisers zijn voldaan. Hoger rendement, hoger risico.
Mate waarin het fonds gebruik maakt van vreemd vermogen naast inleg van beleggers. Vergroot zowel rendement als risico.
Verhouding tussen het uitgeleende bedrag en de getaxeerde waarde van het onderpand. Lagere LTV = grotere buffer bij waardedaling.
Activa (vastgoed, vorderingen, aandelen) waarover een pand- of hypotheekrecht is gevestigd ten gunste van de fondsbeleggers.
Schaal 1–7 die het risico van een belegging samenvat. Onder PRIIPS wettelijk vastgelegd voor retailproducten; bij vrijgestelde fondsen vaak redactioneel toegekend.
Platform of mechanisme waar bestaande beleggers hun aandelen kunnen aanbieden aan nieuwe beleggers. Vaak periodiek, soms tegen korting op NAV.
European Association for Investors in Non-Listed Real Estate Vehicles. Stelt rapportagestandaarden op voor niet-beursgenoteerd vastgoed.
Vereniging van Institutionele Beleggers in Vastgoed Nederland. Belangenbehartiger voor pensioenfondsen, verzekeraars en grote vastgoedfondsen.
Nederlandse particuliere effectenbeurs voor niet-beursgenoteerde fondsen en vermogenstitels. Functioneert in de praktijk als secundaire markt voor LP-belangen; matchpunten zijn doorgaans periodiek en transacties vinden vaak plaats tegen een NAV-korting van 5–15%.
Branchevereniging voor Nederlandse private-equity en venture-capitalpartijen. Lidmaatschap impliceert het hanteren van een gedragscode.
Inkomstenbelasting op aanmerkelijk belang — relevant wanneer u dividend uit uw holding-BV naar privé uitkeert. Tarief 2026: 24,5% tot € 68.843 winst, 31% daarboven. Zolang de winst in de holding blijft, valt er geen box 2 — alleen VPB op realisatie.
Inkomstenbelasting over vermogen voor particulieren. In 2026: 36% × 6,00% fictief rendement = 2,16% per jaar over de waarde per 1 januari, ongeacht of er werkelijk rendement is. Ligt uw werkelijke rendement lager, dan kunt u een beroep doen op de tegenbewijsregeling. Er ligt een wetsvoorstel om over te stappen op werkelijk rendement — hoofdregel zou een vermogensaanwasbelasting worden, die ook ongerealiseerde waardestijging belast; dat voorstel is nog niet aangenomen.
Lees over privé vs holding-BV →VPB-regeling die winst op een belang van ≥ 5% in een dochtervennootschap onbelast laat op het niveau van de moeder-BV. Voor LP-belang in een fonds zelden van toepassing (een LP-positie is doorgaans onder 5% en bovendien niet altijd een "deelneming" in fiscale zin), maar wel relevant bij direct-PE waarin een holding-BV een meerderheid- of kwalificerend minderheidsbelang neemt.
Persoonlijke besloten vennootschap waarin een particulier zijn vermogen onderbrengt. Voor vermogende particulieren met PE/VC-deelnames het meest voorkomende vehikel — winst wordt niet jaarlijks (zoals in box 3 bij privé) maar pas bij realisatie belast (VPB), waardoor kapitaal tussentijds onbelast compoundt. Pas voordelig bij voldoende AUM: oprichting + jaarlijkse administratie/accountantskosten zijn ~€ 1.500–3.000 per jaar.
Fiscale herkwalificatie waarbij asymmetrische winst op een aandelenpakket (typisch carried interest of managementparticipatie) niet als vermogen maar als loon wordt belast — in box 1 tot 49,5%, of vanaf 2026 in box 2 als de winst eerst in een holding-BV landt en daaruit wordt uitgekeerd. Speelt voor fondsmanagers, niet voor passieve LP's.
Sinds 2025 mag een belastingplichtige in box 3 aantonen dat het werkelijke rendement lager was dan het fictieve — dan wordt over het werkelijke geheven. Voor illiquide fondsen in J-curve-jaren (NAV nog rond cost basis, geen distributies) kan dat de heffing aanzienlijk drukken. Niet automatisch; vereist onderbouwing in de aangifte.
Belasting over winst van rechtspersonen. Tarief 2026: 19% tot € 200.000 winst, 25,8% daarboven. Voor een holding-BV die in een fonds participeert: heffing pas bij realisatie (exit of distributie), niet jaarlijks over de NAV. Dat uitgestelde karakter maakt de holding fiscaal aantrekkelijk voor lange-looptijd illiquide beleggingen.
Lees over privé vs holding-BV →Heffing op de werkelijk gerealiseerde winst bij verkoop of distributie — in tegenstelling tot een vermogensaanwasbelasting, die jaarlijks over de waardeontwikkeling heft. In het wetsvoorstel voor box 3 is de aanwasvariant de hoofdregel; deze realisatievariant geldt alleen als uitzondering voor onroerende zaken en bepaalde niet-beursgenoteerde aandelen. Een gewone fondsdeelname valt dus onder de hoofdregel en zou jaarlijks worden belast, ook zonder uitkering.
We zijn nog niet aan het versturen — schrijf u in en u hoort het zodra de eerste editie verstuurd wordt. Opzeggen met één klik.